Vrouwenkampen

Vrouwenkampen

Anneke Pols was 3 jaar toen ze met haar moeder geïnterneerd werd in het Japanse kamp Tjideng. Haar meest pregnante herinnering was de honger, altijd honger. Op het menu stonden slakken en kikkers. Ze was getuige van vechtpartijen, zieke mensen en strenge straffen en werd door de Japanse bewakers geslagen als ze niet boog. Op de foto zit ze voor haar moeder in het kamp. Anneke is nu 81.

Ongeveer 34.000 kinderen zijn geïnterneerd in Japanse vrouwenkampen. Het is geen vanzelfsprekendheid dat Anneke het kamp overleefd heeft. Na 1943 verslechteren de leefomstandigheden zienderogen. De voeding is eenzijdig en minimaal, evenals de medisch zorg. De overvolle kampen leiden tot slechte hygiënische omstandigheden. Infectieziektes als dysenterie zijn schering en inslag en vooral de jongste kinderen sterven hieraan én aan ondervoeding.

De nu nog levende ex-kampkinderen waren over het algemeen heel erg jong tijdens de internering. Velen van hen hebben geen bewuste herinneringen. Hun leed werd in het begin minder serieus genomen: ‘wat niet weet, wat niet deert’ was het spreekwoord. Maar psychiatrisch onderzoek wees uit dat het opgroeien in zo’n onveilige kampsituatie wel degelijk psychische schade kan toebrengen. Wat niet weet, kan zeker wel deren.

       

Net zoals veel andere moeders werd schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) tijdens de Japanse bezetting wreed gescheiden van haar twee zoontjes Hans en Rudi. De Japanners haalden jongens vanaf 10 jaar weg bij hun moeder om ze vervolgens op te sluiten in jongens- of mannenkampen. Vaders werden van hun gezinnen weggerukt en veroordeeld tot dwangarbeid ter ondersteuning van de Japanse oorlogsindustrie. Zo ook de echtgenoot van Beb Vuyk, die als krijgsgevangene moest meewerken bij de aanleg van de Birma-spoorlijn. Pas twee jaar voor haar dood publiceerde Vuyk over haar gevangenschap in haar Kampdagboeken. Haar man en haar jongste zoon Rudi waren toen al gestorven.

Beb Vuyk (1905-1991) is een van de belangrijkste Indische schrijvers. Zij schreef reisverhalen, novellen en romans en het Groot Indonesisch Kookboek (1971).
Tijdens de Japanse bezetting werd ze geïnterneerd in verschillende vrouwenkampen. Net zoals veel andere moeders werd ze wreed gescheiden van haar twee zoontjes, Hans en Rudi. De Japanners haalden jongens vanaf 10 jaar weg bij hun moeder om ze vervolgens op te sluiten in jongens- of mannenkampen. Vaders werden van hun gezinnen weggerukt en veroordeeld tot dwangarbeid ter ondersteuning van de Japanse oorlogsindustrie. Zo ook de echtgenoot van Beb Vuyk, die als krijgsgevangene moest meewerken bij de aanleg van de Birma-spoorlijn. Pas twee jaar voor haar dood publiceerde Vuyk over haar gevangenschap in haar Kampdagboeken. Haar man en haar jongste zoon Rudi waren toen al gestorven.