Waarom herdenken we op 15 augustus?

Geschiedenis 15 augustus 1945
Jaarlijks staan we op 15 augustus bij het Indisch Monument in Den Haag stil bij het officiële einde van de Tweede Wereldoorlog en het leed dat een groot en divers deel van onze en de Indonesische samenleving diep heeft getroffen. Dit leed werkt tot op de dag van vandaag door. We herdenken op 15 augustus allen die door de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië̈ zijn getroffen. Het is een erkenning van hun plaats in de geschiedenis van Nederland en benadrukt de verbondenheid van ons allen met dit gedeeld verleden.

Op deze pagina leest u meer informatie over de oorlog. Hoe zag deze geschiedenis er nu precies uit, en wat was het lot van verschillende groepen mensen uit de samenleving?

De onstuitbare opmars van Japan

Na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor op 7 december 1941 verklaart ook Nederland de oorlog aan Japan, dat bondgenoot is van Nazi-Duitsland en zich al jaren richt op expansie in Zuidoost-Azië̈. Japan streeft naar een Groot Oost-Aziatische Welvaartsfeer, waarin de Europese koloniën in Azië onder Japanse leiding worden vervangen door een Nieuwe Orde. De verdediging van Zuidoost-Azië̈ komt in handen van het geallieerde American-British-Dutch-Australian Command (ABDACOM).

De vooruitzichten voor een succesvolle verdediging van Nederlands-Indië zijn somber. Op 11 januari 1942 begint de Japanse inval in Noord-Sulawesi (toen Noord- Celebes) en Nederlands Kalimantan (toen Oost- en Zuid-Borneo). Op het allerlaatste moment vernietigen de Vernielingscorpsen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) hier de strategische oliewingebieden en vliegvelden. De rest van de hier gestationeerde KNIL-eenheden leveren een felle strijd om de Japanse troepen zo lang mogelijk tegen te houden. Er worden grote verliezen geleden. De Japanse krijgsmacht rukt op totdat Java langzaam maar zeker wordt ingesloten. Half februari trekken KNIL-militairen zich noodgedwongen terug op Java.

Na de val van Singapore en Zuid-Sumatra is Nederlands-Indië volgens het ABDACOM niet meer te redden. Tijdens de Slag in de Javazee (26-27 februari 1942) wordt de geallieerde slagvloot door de Japanners verpletterd en verliezen 2.300 geallieerde marinemannen het leven. Java ligt open voor de Japanse invasiemacht. Op 9 maart 1942 rest de Nederlandse legercommandant luitenant-generaal Hein ter Poorten niets anders dan zich over te geven.

De dunne glans van de overwinning

De geallieerde nederlaag brengt het prestige van het koloniale gezag een zware slag toe en maakt op de Indonesische bevolking een diepe indruk. Het versterkt de nationalistische gevoelens onder de Indonesiërs. De georganiseerde nationalisten nemen een afwachtende houding aan. De oorlog is voor hen een zaak van de Nederlands-Indische regering, en met oog op een onafhankelijk Indonesië verwachten de nationalisten van Japan meer. De Japanse militairen worden daarom grotendeels als bevrijders onthaald. Vooralsnog komt het alleen in Aceh en Gorontalo (Sulawesi) tot opstanden tegen de Japanners.

Krijgsgevangenen

Na de Nederlandse capitulatie worden alle geallieerde militairen krijgsgevangen gemaakt. Een té grote groep krijgsgevangenen, waarop door Japan niet is gerekend. Een deel van de militairen van Aziatische afkomst komt daarom twee maanden later vrij. De vrijgekomen Molukse militairen worden regionaal als dwangarbeiders ingezet. De overige krijgsgevangenen worden door het Japanse bestuur ingezet als dwangarbeiders in de Japanse oorlogsindustrie en in de bouw van militaire infrastructuur, zoals spoorlijnen en vliegvelden op locaties door geheel Azië.

Ruim 18.000 krijgsgevangenen worden bijvoorbeeld eerst ingezet in Singapore, om daarna verder te werken aan de beruchte Birma-Siamspoorlijn. Hier geldt: voor iedere dwarslegger één dode. Meer dan een kwart van de tewerkgestelde krijgsgevangenen overlijdt. Na de afronding van de werkzaamheden worden de overlevenden verscheept naar de mijnen en scheepswerven van Japan, waar het dodental verder oploopt.

Dwangarbeiders die elders tewerkgesteld worden, worden samen met Indonesische dwangarbeiders in overvolle schepen getransporteerd, de zogenoemde hell ships. De leefomstandigheden aan boord zijn erbarmelijk en de tocht is levensgevaarlijk. De ongemarkeerde schepen zijn regelmatig doelwit van geallieerde onderzeeboten, torpedobootjagers en bommenwerpers. Zo’n 22.000 krijgsgevangenen laten uiteindelijk het leven aan boord van deze schepen.

Internering in kampen

De witte Europeanen worden gefaseerd geïnterneerd in kampen, die werden ingericht in kazernes, gevangenissen, stadwijken, scholen, gestichten, weeshuizen, fabrieken, kloosters, internaten, pakhuizen en kerken. Het eerste oorlogsjaar is het leven in de kampen voor hen betrekkelijk draaglijk. Er is in ieder geval voldoende ruimte, voedsel en medische zorg beschikbaar. En hoewel geïnterneerden ook dwangarbeid moeten leveren, is er ook ruimte voor ontspanning.

Vanaf maart 1943, wanneer bijna alle witte Europeanen geïnterneerd zijn en de kampen onder militair bestuur komen, verandert deze situatie. De regels worden strenger, de rantsoenering wordt teruggebracht en de hygiëne verslechtert. In april 1944 worden alle jongens van tien jaar en ouder, die in eerste instantie bij hun moeders mochten blijven, overgebracht naar mannenkampen, waar ze zelfstandig verder moeten zien te leven. Slechts enkele jongens hebben het ‘geluk’ om bij hun vader of broer(s) terecht te komen.

Vanaf september 1944 worden de geïnterneerden uit alle verschillende kampen in enkele regio’s geconcentreerd, zodat zij het geallieerde leger bij een eventuele landing minder gemakkelijk kunnen steunen. In deze nieuwe kampen zijn de geïnterneerden nog slechter af. Er is sprake van zware straffen en martelingen, bij mannen, vrouwen en kinderen. Door de overbevolking in de nieuwe kampen ontstaat daarnaast een continu tekort aan water, voedsel, medicijnen en sanitaire voorzieningen. Het sterftecijfer neemt snel toe. Uiteindelijk overleeft één op de zes geïnterneerden de kampen niet.

De nu nog levende ex-kampkinderen waren over het algemeen heel erg jong tijdens de internering. Velen van hen hebben geen bewuste herinneringen, maar wel (ongemerkt) zware psychische schade opgelopen in de kampen.

‘Buitenkampers’

Indo-Europeanen worden maar deels geïnterneerd. Het grootste deel van hen, vooral de Indo-Europeanen op Java, blijft buiten de kampen. Aan de ‘buitenkampers’ wordt opgedragen hun Aziatische achtergrond te laten spreken en bij te dragen aan de verwezenlijking van de Groot-Aziatische Welvaartsfeer. De ‘buitenkampers’ worden echter vanaf het begin van de oorlog van de buitenwereld en hun directe omgeving geïsoleerd. Hun arbeidsplaatsen worden ingenomen door Indonesiërs en in de praktijk behoren ze niet tot de Europeanen noch tot de Indonesiërs. In de vijandige sfeer zijn ze onveilig en er is een dagelijkse strijd om voldoende voedsel en medicijnen te vinden.

Eind 1944 ontstaan er geruchten over de komst van een geallieerde invasie. Daarop pakken de Japanners begin 1945 ook op grote schaal Indo-Europese jongens op, bang dat deze de kant van de geallieerden zullen kiezen. Zij worden naar strafkampen gestuurd, geëxecuteerd of gedood tijdens ondervragingen.

Indo-Europeanen die fysiek en mentaal sterk genoeg zijn, kunnen ritselen of een goed netwerk hebben, overleven buiten de kampen.

Romusha’s

Voor de Indonesiërs lijkt de komst van de Japanners aanvankelijk niet verkeerd. Er gaan nu maatschappelijke en economische deuren open die daarvoor gesloten gebleven. Maar algauw komt hier verandering in. Japan heeft een grote behoefte aan arbeidskrachten voor de opbouw van hun militaire infrastructuur. Vele jonge Indonesische mannen stellen zich, onder belofte van en goede betaling, vrijwillig beschikbaar voor de opbouw van spoorwegen, vliegvelden, wegen, havens en bunkers.

De arbeiders, romusha genoemd, komen echter terecht in een situatie van dwangarbeid onder erbarmelijke omstandigheden. Romusha’s die tekenden voor een contract van drie maanden, keren niet naar huis terug maar moeten dwangarbeid blijven verrichten. Bekendheid hierover leidt al gauw tot een afname van vrijwilligers. Bestuurders en dorpshoofden worden daarop vanaf 1943 gedwongen om arbeidskrachten te leveren, en later in de oorlog worden romusha’s simpelweg door de Japanners van straat en uit openbare ruimtes geplukt.

De meeste romusha’s komen buiten Java te werken. Zij worden, samen met krijgsgevangenen, op hellships naar de plaats waar zij moeten werken vervoerd. De romusha’s worden wreed behandeld, krijgen veel te weinig voedsel en geen medische zorg. Meer dan driehonderdduizend Indonesiërs komen tijdens de oorlog als romusha om het leven. Bovendien verliezen ontelbare families hun kostwinner, waarop hongersnood voor hen volgt. Aan die gevolgen sterven nog eens twee miljoen Indonesiërs.

Dwangprostitutie

Ook vrouwen worden geronseld. Zij komen terecht in Japanse bars en bordelen, waar ze gedwongen worden tot prostitutie. De slachtoffers van dwangpositie worden ‘troostmeisjes’ genoemd, omdat zij troost moeten bieden aan Japanse militairen. In werkelijkheid worden deze vrouwen systematisch verkracht in militaire bordelen, kazernes, fabrieksloodsen, treinstellen en tentenkampen. Naar schatting worden honderdduizenden vrouwen en kinderen weggevoerd en gevangengehouden in seksslavernij, waaronder Indonesische en (Indo-)Europese vrouwen.

Militarisering

De Japanners starten ondertussen ook met de militarisering van de Indonesische bevolking. De Indonesische militairen moeten als lokale milities het Japanse leger kunnen ondersteunen bij een geallieerde aanval. Op 23 september 1942 begint Japan in Indonesië met de werving van heiho: hulpsoldaten. Heiho dienen onder Japanse officieren en zijn onderdeel van het Japanse leger. Ze krijgen een militaire training van zes maanden op heiho-trainingsscholen, voordat ze aan Japanse eenheden worden toegevoegd. Hoewel hun opleiding vergelijkbaar is met die van Japanse infanterie, behoren gevechtstrainingen tot 1944 nauwelijks tot hun opleiding, omdat ze vooral ondersteunend werk verrichten. Heiho dienen in heel Zuidoost-Azië. Door geallieerde aanvallen op Japanse transporten komen velen nog voordat ze hun bestemming bereiken om het leven. Andere overlijden door voedseltekort of tropische ziekten. Hoewel heiho over het algemeen niet slecht behandeld worden, krijgen ze wel minder betaald dan de Japanners en zijn hun accommodaties en voeding slechter.

In januari 1943 beginnen de Japanners daarnaast met de oprichting de PETA, de Sukarela Tentara Pembélah Tanah Air (vrijwilligersleger voor de verdediging van het vaderland). Het verschil met de heiho is dat de PETA louter in de Indonesische archipel wordt ingezet. Maar helemaal vertrouwen doen de Japanners de sterk op onafhankelijkheid gerichte PETA niet. Zo beschikken de troepen niet over zware wapens en hebben ze geen munitie in eigen beheer. Met de oprichting van vooral de PETA militariseert het Japanse bestuur de Indonesische samenleving, waardoor de nationalistische gevoelens onder Indonesiërs worden versterkt. In de laatste oorlogsjaren kwamen verschillende PETA-eenheden in opstand tegen het Japanse gezag, meestal uit onvrede over de omstandigheden waaronder ze moeten dienen en uit woede over de wrede behandeling van de romusha. Na de Japanse capitulatie vormt de PETA de basis van het latere Indonesische bevrijdingsleger.
Verzet

Verzet

Maar ook andere inwoners van de Archipel geven zich na de komst van de Japanners niet zomaar gewonnen. Verspreid over de eilanden komen verschillende guerrillagroepen tot stand die militaire steun aan de geallieerden willen geven zodra zij hen komen bevrijden. Daaronder zijn ook Molukse militairen die uit krijgsgevangenschap werden bevrijd. Verzet bestaat uit het verspreiden van geallieerde oorlogsberichten, het onderhouden van radiocontact met Australië, het verzamelen van wapens, het verzamelen van militair-strategische gegevens en waar mogelijk het fusilleren van Japanners. Hoewel Japan de meeste verzetsactiviteiten de kop in drukt, zijn niet alle initiatieven onsuccesvol.

In de ondoordringbare en dunbevolkte jungle van Papua (Nieuw-Guinea) weet de ‘de groep Kokkelink’ bijvoorbeeld meer dan tweeënhalf jaar stand te houden. De guerrillaverzetsgroep bestookt Japanse patrouilles en bivaks en vergaart inlichtingen. Het verzet van dergelijke groepen is pijnlijk genoeg echter vaak van geringe betekenis. Voor de naar schatting dertig Japanners die de groep Kokkelink bijvoorbeeld liquideert, brengt zij grote offers: een minstens even groot aantal van hen bezwijkt aan ziekte of uitputting, of wordt gevangengenomen, gemarteld en vermoord.

Dat de verzetsacties weinig opleveren is niet verrassend. De Japanners zijn zeer ervaren in het opsporen en uitschakelen van tegenstanders. Vooral de Kenpeitai, de Japanse militaire politie, is berucht. Het is voor verzetsmensen door het wijdverbreide netwerk aan informanten in ieder geval op het dichtbevolkte Java vrijwel onmogelijk om in het geheim te opereren. Een belangrijkere verklaring is het feit dat de Japanners de (Indo-)Europeanen hebben geïnterneerd in Japanse kampen. Europese verzetsstrijders vallen daardoor buiten de kampen onmiddellijk op. Bovendien wordt de houding van de Indonesische bevolking verkeerd ingeschat. De verzetshaarden gaan ervanuit dat zij kunnen rekenen op steun van de Indonesische bevolking, die echter grotendeels de kant van de nieuwe heerser koos.

Herovering

De geallieerden geven zich niet zomaar gewonnen en zetten hun strijd, ook in Azië, voort. Nederlands-Indië valt aanvankelijk echter buiten de geallieerde operatieplannen. Maar al in 1942 komt er een kentering in de Japanse strijd tegen het Westen. Bij de slag bij het eiland Midway (4-7 juni) in de Stille Oceaan komt het tot een treffen tussen de Japanse oorlogsvloot en de Amerikaanse marine. Japan verliest. Het blijkt een beslissend moment.
Pas in juni 1943 schampt het geallieerde offensief langs de randen van de Indonesische Archipel. Delen van Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden worden heroverd. In april 1944 volgt Hollandia, begin juli Biak en in september Morotai (noordelijke Molukken). Maar het duurt nog tot mei 1945, wanneer de overwinning in Europa de geallieerden meer ruimte biedt, tot de druk op de Archipel ook echt toeneemt. Medio 1945 is de Japanse capitulatie nog niet verwezenlijkt. De Amerikanen besluiten tot de inzet van hun nieuwe atoomwapen om de Japan tot overgave te bewegen. Op 6 augustus vernietigt een eerste bom Hiroshima, en op 9 augustus een tweede Nagasaki. Op 15 augustus geeft keizer Hirohito zijn strijdkrachten ten slotte het bevel de wapens neer te leggen. De officiële overgave van Japan volgt op 2 september 1945.

Van 1941 tot 1945 sneuvelen tegen de 350.000 geallieerde militairen in de strijd tegen Japan. Nog steeds liggen ruim 25.000 doden begraven op 14 erevelden in Zuidoost-Azië en Australië. Vele andere slachtoffers hebben geen officieel graf gekregen.

Vrijheid zonder vrede

Na de capitulatie van Japan wachten veel kinderen binnen en buiten de kampen op de terugkomst van hun vader. Ieder kind heeft zijn eigen herinneringen of zelfs nog geen herinneringen. Ze leren vader kennen via die ene foto, waar ze met moeder iedere avond bij bidden of waarbij moeder over hem vertelt. De verwachtingen zijn na de capitulatie dan ook hooggespannen, want hun ‘echte’ vader kan nu ieder moment het kamp inlopen. De kinderen staan op wacht en zodra er een man komt, vragen ze: ‘Ben jij een pappie’? De vreugde is groot als vader daadwerkelijk het kamp komt binnenlopen. Maar voor veel kinderen blijkt hun vader een vreemde te zijn en helemaal niet die lieve man waarover moeder vertelde of hoe zij zich hem herinnerden. Soms is hij door zijn eigen oorlogservaring gebroken, gewelddadig en onthecht. Na de vreugde van de hereniging breekt een volgende fase aan: een van hechting, van elkaar opnieuw leren kennen, maar soms ook weer een van scheiding. Het verdriet is ook groot als in plaats van vader een overlijdensbericht wordt bezorgd door het Rode Kruis. En dat gebeurde maar al te vaak.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekent geen terugkeer van de rust in de Indonesische archipel. De Indonesische onafhankelijkheidsverklaring twee dagen na de Japanse capitulatie maakt een terugkeer naar de vooroorlogse situatie onmogelijk en markeert het begin van een nieuwe, bloedige episode van strijd en dekolonisatie, waar opnieuw vele slachtoffers vallen.

Vanaf de Japanse capitulatie behoort Nederlands-Indië̈ tot het Britse deel van het geallieerd strijdtoneel in Azië̈. Brits-Indische troepen worden daarom naar Nederlands-Indië̈ gestuurd om het Japanse gezag over te nemen en de militairen te ontwapenen. De Republiek bereidt zich ondertussen voor op de strijd tegen de Britten en Nederlanders. Het wordt steeds onrustiger en gevaarlijker voor, Nederlanders, Indo-Europeanen en Nederlandsgezinde Indonesiërs. De voormalige geïnterneerden kunnen de kampen niet verlaten. Japanse militairen beschermen de kampen. Ze zijn opeens geen vijand meer. De poorten zijn geopend, maar de echte vrijheid is nog ver weg.

Nederland wordt bevrijd op 5 mei 1945

Op die datum is er in voormalig Nederlands-Indië echter nog geen bevrijding. De Japanse overheersing drukt in de hierop volgende maanden nog zwaar op alle inwoners van dat land en ver daarbuiten.