Waarom herdenken we op 15 augustus?

Inleiding | 15 augustus 1945 als kantelpunt

We hadden geen idee dat de Japanse bezetting de onafhankelijkheid van Indonesië zou inleiden. We dachten dat we na de capitulatie van Japan zouden terugkeren naar ons oude leven. Maar niets was minder waar.

Op 15 augustus 1945 capituleert Japan. Dit betekent het einde van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië en het officiële einde van de Tweede Wereldoorlog in het Koninkrijk der Nederlanden. Tegen het eind van de bezetting zijn het land en zijn bevolking sterk verarmd en is de gehele samenleving ontwricht. In de jaren daarvoor hebben zich onder het Japans bestuur echter belangrijke onomkeerbare ontwikkelingen voltrokken. Zo heeft het Indonesisch nationalisme, dat in de jaren dertig door de Nederlands-Indische regering zwaar onderdrukt is zich versneld verder ontwikkeld. Onder leiding van de voorman Soekarno van de Partai Nasional Indonesia (PNI) heeft Indonesië zich voorbereid op de onafhankelijkheid. Grote groepen jongeren en mannen zijn in de loop der tijd door de Japanse bezetter militair getraind en voorbereid op antikoloniale strijd. Naarmate de bezetting voortduurt verslechteren echter ook voor de Indonesische bevolking de levensomstandigheden.

Op het moment van de Japanse capitulatie verblijft een deel van de Europese gemeenschap, waaronder ook een deel van de Indo-Europeanen die van gemengd Europees-Aziatische afkomst zijn, in Japanse interneringskampen. Zij horen pas na ongeveer een week dat Japan gecapituleerd is. De geïnterneerden hebben een aantal jaren doorgebracht in een maatschappelijk isolement, over het algemeen onwetend van de politieke ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden. De Indo-Europeanen, van wie het merendeel buiten het interneringskamp is gebleven, zijn beter op de hoogte en hopen op een terugkeer naar de vooroorlogse situatie. Voor de meeste mensen is dit echter niet hun eerste zorg. Velen zijn er lichamelijk en psychisch slecht aan toe en voor hen hebben voeding, medische zorg en gezinshereniging prioriteit. Er wordt getreurd om de vele doden. Veel gezinnen zijn soms al vanaf het begin van de bezetting uit elkaar. Het is onbekend waar de gezinsleden zich bevinden en of zij nog in leven zijn. Er is veel onzekerheid.


De capitulatie is echter geen bevrijding, want op 17 augustus 1945 roept Soekarno, samen met Mohammed Hatta, de Republiek Indonesië uit. Eind september zetten Britse troepen, die tijdelijk het militaire gezag in handen hebben, voet aan wal op Java. De Indonesiërs vrezen de terugkeer van het Nederlands gezag en een gewelddadige strijd om de macht breekt los. De Brits-Indische troepen kunnen na felle strijd op Java slechts enkele gebieden onder controle krijgen: het gebied rond Batavia, delen van het Bandoengse, Semarang en Soerabaja. Moordpartijen, kidnappings en schietpartijen zijn aan de orde van de dag in deze zogenaamde Bersiap-periode. Zo’n 46.000 Europeanen, hoofdzakelijk Indo-Europeanen, worden geïnterneerd in Republikeinse kampen. Vanaf maart 1946 neemt het Nederlands-Indisch bestuur het gezag van de Britten over. Nederland erkent de nieuwe Republiek niet, maar is nu wel bereid tot een dekolonisatieproces onder Nederlandse regie dat uiteindelijk zal leiden tot onafhankelijkheid. Een koloniale oorlog volgt, waarin politieke onderhandelingen en gevechtsacties elkaar afwisselen. Aan beide zijden vallen veel slachtoffers. Deze oorlog wordt onder internationale druk in 1949 beslecht in het voordeel van de Republiek. Op 27 december 1949 vindt de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië plaats, met uitzondering van Nieuw-Guinea. Nederlands-Indië houdt op te bestaan.


Als gevolg van het voortdurende geweld vertrekken reeds vanaf eind 1945 een kleine honderdduizend mensen naar Nederland voor ziekteherstel, verlof of voor definitieve terugkeer. Nog zo’n 200.000 volgen na de soevereiniteitsoverdracht eind 1949. In totaal zullen er tot 1968 ruim 330.000 personen naar Nederland repatriëren. Voor de meeste repatrianten is dit een onverwachte uitkomst. Ze hebben niet gedacht dat het einde van de oorlog tevens het einde van de kolonie zou inleiden en daarmee het gedwongen vertrek uit het land waar de meeste families reeds generaties gewoond hebben en waarmee een sterke emotionele binding bestaat. Het blijkt het kantelpunt in het leven van velen uit de Indische gemeenschap én een kantelpunt in de Nederlandse geschiedenis.

Het oorlogsverhaal

Oplopende politieke spanningen


Japan kent in de jaren dertig een agressieve expansiedrift. Het land industrialiseert sterk en heeft hiervoor veel grondstoffen nodig. Japan wil deze uit de regio Zuidoost-Azië importeren, maar stuit hierbij op tegenwerking van de koloniale mogendheden. In september 1940 kondigt Japan aan dat het een economische invloedssfeer wil opbouwen van waar het al zijn benodigde grondstoffen kan importeren, de zogenaamde Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer. Nazi-Duitsland en Italië ondersteunen Japan hierin. De drie landen sluiten op 27 september 1940 in Berlijn het Tripartite Pact, waarin zij het keizerrijk Japan erkennen als de leider van de nieuwe orde in Azië.


In deze periode, Nederland is inmiddels bezet door nazi-Duitsland, onderhandelt Japan met Nederlands-Indië over een forse verhoging van de invoer van aardolie en andere grondstoffen. Japan verhoogt de druk op de onderhandelingen door in januari 1941 tevens aansluiting te eisen bij de Groot-Oost-Aziatische Welvaartsfeer. De onderhandelingen lopen vast in juni 1941, waarna de spanningen oplopen: de Nederlands-Indische regering bevriest de Japanse handelsdeviezen en stelt een handelsembargo in op olie, tin en rubber. Zij werkt hierin samen met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Diplomatiek overleg door de koloniale mogendheden met Japan loopt op niets uit. Op 7 december 1941 trekken Japanse troepen Brits-Maleisië binnen en worden Singapore en Pearl Harbor gebombardeerd. Japan verklaart de oorlog aan de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Op 8 december verklaart Nederland de oorlog aan Japan en kondigt gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer de algehele mobilisatie af. Onderzeeboten en vliegtuigen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) en de Marine Luchtvaartdienst (MLD) voeren vanaf die dag operaties uit tegen de Japanse invasievloten in Zuidoost-Azië. De Tweede Wereldoorlog is daarmee echt een wereldwijde oorlog geworden.
De invasie van Japan


Op 11 december 1941 vindt de eerste oorlogshandeling tegen Nederlands-Indië plaats: Ambon wordt gebombardeerd. Vanaf begin januari 1942 volgt de invasie. De Koninklijke Marine tracht de invasie in de Indische archipel te voorkomen, maar is niet opgewassen tegen de Japanse overmacht. Nagenoeg de hele vloot gaat verloren met verlies van meer dan 1.600 Nederlandse en Indonesische opvarenden. Over land volgt een snelle opmars van Japanse troepen: Celebes, Borneo, Ambon, Bali en Sumatra. Rond olieraffinaderijen, vliegvelden en havens woedt een hevige strijd; Nederlandse vernielingsbrigades vernietigen deze strategische plekken tot grote woede van de Japanners. Represaillemaatregelen volgen en de militairen en ambtenaren die hiervoor verantwoordelijk worden gesteld, worden geëxecuteerd. Ruim 17.000 militairen worden krijgsgevangen gemaakt. De Europese burgers worden geïnterneerd, inclusief het merendeel van de Indo-Europeanen; dit in tegenstelling tot wat er op Java zou gebeuren.


Begin maart 1942 start de Japanse invasie van Java. Java houdt geen stand en Nederlands-Indië capituleert op 8 maart 1942. Het keizerrijk Japan bezet Nederlands-Indië. Overal in de archipel wordt de Japanse vlag gehesen: wit met een rode bol, het symbool voor de keizer. Veel Indonesiërs halen de Japanners in als bevrijders van het koloniale regiem.


De bezetting


Japanisering


Op bevel van de Japanse militaire autoriteiten worden direct alle banken gesloten en worden er geen lonen, salarissen, soldij en pensioen meer uitbetaald. Banktegoeden worden bevroren. Veel gezinnen komen daardoor acuut in financiële problemen. De Japanners starten vrijwel meteen met de ‘Japanisering’ van de samenleving. Een aantal praktische zaken wordt ingevoerd zoals de invoering van de Tokio-tijd op Java, die anderhalf uur voorlag op de ‘normale’ tijd, en de invoering van de Japanse jaartelling. Het jaar 1942 wordt het jaar 2602. Daarnaast betekent de Japanisering de uitbanning van westerse elementen uit de samenleving. Zo verdwijnen de Nederlandse dagbladen en tijdschriften, wordt de Nederlandse taal verboden en komt er een verbod op Europees onderwijs. Het meest vergaand is de verwijdering van de westerlingen uit de samenleving als uitvloeisel van de ont-Europeanisering van Groot-Azië. Om te zien wie er geïnterneerd moet worden, worden alle Europese inwoners boven de zeventien jaar geregistreerd.


In januari 1942 leven er rond de 300.000 Europeanen in Nederlands-Indië op een totale bevolking van ongeveer 70 miljoen. Rond de 260.000 daarvan heeft de Nederlandse nationaliteit. Driekwart van dat deel is geboren in Nederlands-Indië en een kwart in Nederland. De meeste Europeanen (circa 280.000) wonen op Java. Voor de nieuwe machthebbers zijn dit er te veel om te interneren. De Europeanen worden op basis van afstamming onderverdeeld in twee groepen: de totoks, waarmee de volbloed Nederlander wordt bedoeld, al dan niet geboren in Nederlands-Indië en de Indo-Belanda (Indo-Europeanen of Indo’s). Voor het registratiebewijs, de pendaftaran, heeft men een Asal Oesoel nodig, een afstammingsbewijs. Wanneer er in de afstamming een Aziatische voorouder aanwezig is, is men in eerste instantie gevrijwaard van internering.


De internering verloopt in fasen en is per stad en regio verschillend. Na de internering van militairen en ambtenaren aan het begin van de bezetting, volgen tot oktober 1942 de totok mannen van zeventien tot jaar en daarna de totok vrouwen, kinderen en de mannen boven de zestig. In 1943 en 1944 vinden er opnieuw registraties plaats en worden de Indo-Europeanen onderverdeeld in steeds verfijndere categorieën van afstamming. Duizenden Indo-Europeanen verdwijnen dan alsnog in het kamp.


Krijgsgevangenen


Na de capitulatie in maart 1942 bevindt zich 88 procent van alle krijgsgevangenen van de archipel op Java. Dit zijn 70.000 militairen, onder wie 56.000 militairen van de Nederlands-Indische krijgsmacht en daarnaast 10.600 Brits(-Indische), 4.800 Australische en 900 Amerikaanse militairen. Onder de Indische krijgsmacht bevinden zich militairen van het KNIL, de Gouvernementsmarine en de Koninklijke Marine, dienstplichtigen en de land- en stadswachten van diverse origine: Nederlanders, waarvan het grootste deel Indo-Europeanen, Molukkers, Javanen, Menadonezen en Chinezen. De Japanners hebben niet op zo’n grote groep krijgsgevangenen gerekend, die gehuisvest, gevoed en bewaakt moet worden. In eerste instantie ligt er nog geen gestructureerd plan. Een deel van de inheemse militairen wordt na een korte gevangenschap vrijgelaten. Op Java komen de krijgsgevangenen terecht in kazernes, gevangenissen, scholen, kloosters en andere (woon)complexen. In eerste instantie is er nog bewegingsvrijheid, maar dat wordt snel minder en privileges, zoals bezoek van familie en het ontvangen van voedsel en kleding worden eveneens na korte tijd ingetrokken. De mannen worden ingezet voor werkzaamheden in de omgeving van het kamp. Het is verboden om contact met de buitenwereld te zoeken en daarom gebeurt dit stiekem, via gesmokkelde briefjes. De Japanners concentreren de mannen in steeds grotere kampen en daarom zijn er regelmatig transporten naar plaatsen elders op Java. Het contact met de familie wordt verbroken als in mei 1942 het Japanse bestuur bepaalt dat de krijgsgevangene voortaan als arbeider ingezet wordt in de Japanse industrie en bij de constructie van militaire bouwwerken zoals vliegvelden en spoorlijnen.


Met vrachtwagens en treinen worden de krijgsgevangenen naar de havens getransporteerd en verscheept naar een voor hen onbekende bestemming. Het transport per Japans schip is een hachelijke zaak, omdat Japanse schepen doelwit zijn van geallieerde torpedojagers en bommenwerpers. Bij de transporten op deze zogenaamde hell ships vallen rond de 22.000 slachtoffers. De grootste scheepsramp is de torpedering door een Engelse onderzeeër van de Junyo Maru voor de kust van Sumatra op 18 september 1944. Naar schatting komen hier 5.600 personen om: krijgsgevangenen afkomstig uit Nederlands-Indië, Groot-Brittannië, Australië en de Verenigde Staten en ongeveer 4.200 Indonesische dwangarbeiders, de zogenaamde romoesha’s.


De mannen worden over heel Azië verspreid. Ze werken onder andere in Singapore en Oost-Indonesië aan vliegvelden, in Japan in lood- en in kolenmijnen, aan wegen in China en in Thailand en op Sumatra aan spoorlijnen. Bijna 18.000 man, dit is 42 procent van de Nederlandse krijgsgevangenen, komt te werken aan de Birma-Siamspoorlijn onder zeer slechte voedings- en leefomstandigheden en onder een wreed regiem. Meer dan 3.000 van de Nederlandse krijgsgevangenen (ruim 17 procent) overlijdt hier. De leefomstandigheden van de Indonesische romoesha’s zijn nog slechter dan die van de westerse krijgsgevangenen. Het sterftecijfer ligt bij deze groep nog hoger, rond de 50 procent. Over de Birma-Siamspoorlijn wordt vaak gezegd: ‘een dode op iedere dwarsligger’.


Het contact met familie is zo goed als verbroken. Via briefkaarten van het Rode Kruis worden er spaarzaam berichten in het Maleis uitgewisseld. Het duurt echter maanden − zo niet langer − voordat de briefkaart de geadresseerde bereikt, als dat al gebeurt. En dan is de vraag of de afzender nog leeft.


Veel krijgsgevangenen hebben in deze periode dagboeken bijgehouden, ondanks het verbod daarop. Het geeft een beeld van de gruwelijke omstandigheden waaronder zij hebben moeten leven: de onzekerheid, de uitzichtloosheid, de honger, de ziektes, de wreedheden van de Japanners en hun bewakers, de onderlinge conflicten, het harde werken en de dagelijkse aanwezigheid van de dood.


Burgergeïnterneerden


Als gevolg van de Japanisering worden de Europese burgers uit de samenleving verwijderd, met uitzondering van de Duitsers en de Italianen en de neutrale Zweden. In totaal worden er ruim 100.000 Nederlandse burgers geïnterneerd: een kleine 37.000 mannen, ruim 30.000 vrouwen en bijna 34.000 kinderen. Hoewel de selectie officieel geschiedt op basis van de pendaftaran, blijkt dit in de praktijk vaak willekeurig te gebeuren. De kleur van de ogen of de kleur van het haar zijn soms doorslaggevend.
De internering vindt plaats in gescheiden vrouwen- en mannenkampen. De mensen worden gehuisvest in woonhuizen in afgescheiden woonwijken en in allerlei gebouwen zoals scholen, hotels, gevangenissen en militaire barakken. De internering van burgers valt tot 7 november 1943 onder de verantwoordelijkheid van het civiel Japans bestuur en de uit Indonesiërs samengestelde politie bewaakt de complexen. Tot het voorjaar van 1943 is het regiem, sommige uitzonderingen daargelaten, nog relatief mild te noemen. Zo is het mogelijk om met toestemming het kamp voor een aantal dagen te verlaten en ook mag het huispersoneel nog komen helpen. Daarna worden de kampen gesloten. Op de grens van het kamp wordt een omheining van bamboematten opgetrokken, het zogenaamde gedek, dat het uitzicht op de buitenwereld verhindert. Na 7 november 1943 staan de kampen onder direct beheer van het Japanse leger. Het regiem wordt strenger. Japanse en Koreaanse militairen en de uit Indonesiërs samengestelde militaire hulpkorpsen, heiho’s, bewaken voortaan het kamp.


Vanaf de oprichting wordt het interneringskamp volgens Japanse instructies georganiseerd. Aan het hoofd staat de Japanse kampcommandant. Het Nederlandse kamphoofd is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken en moet hierover verantwoording afleggen aan de kampcommandant. Voor voedsel en alle andere dagelijkse benodigdheden zijn de geïnterneerden afhankelijk van de Japanners. Voor de rest moet het kamp zichzelf draaiende houden, zonder hulp van buiten. Via corveediensten worden de nodige werkzaamheden uitgevoerd zoals het bereiden van voedsel in de centrale keuken, de aan- en afvoer van spullen, het schoonmaken van de latrines en andere gemeenschappelijke ruimten, bewaking en het verbouwen van voedselgewassen.


Mannelijke burgergeïnterneerden worden geselecteerd voor dwangarbeid. Indien zij fit genoeg zijn, volgen zij het lot van de krijgsgevangenen. Anderen worden ingezet voor lokale werkzaamheden en voor de algemene werkzaamheden in het kamp zelf. Tot april 1944 worden jongens ouder dan zestien jaar door de Japanners uit de vrouwenkampen gehaald en overgebracht naar mannenkampen. In april 1944 verandert het Japanse beleid ten aanzien van de jongens. Alle jongens van tien jaar en ouder worden vanaf die datum als man aangemerkt en overgebracht naar mannenkampen of naar speciaal voor hen opgerichte jongenskampen. Het gedwongen afscheid heeft grote impact op zowel de jongens als de moeders. Sommige jongens hebben geluk als ze bij hun vader of broer(s) terechtkomen. In andere gevallen moeten ze geheel zelfstandig zien te overleven. De moeders blijven achter in grote onzekerheid over het lot van hun zonen.


Het regiem in het kamp wordt strenger naarmate de bezetting voortduurt en de geallieerde troepen een opmars in Azië maken. De dagelijkse appèls, waarbij alle geïnterneerden ongeacht leeftijd of conditie aanwezig moeten zijn, zijn een zenuwslopende aangelegenheid. Hier worden de geïnterneerden geteld en moeten zij op de juiste manier buigen voor de Japanse vlag. Als het aantal niet klopt of als er niet goed gebogen wordt, volgt straf. Het aanschouwen of ondergaan van fysiek geweld of urenlang in de hete zon moeten stilstaan op de appèlplaats zijn geen uitzonderlijke bestraffingen.


In de loop der tijd verslechtert de voedselsituatie aanzienlijk: er blijft slechts één maaltijd over, die veelal slechts uit een handjevol rijst bestaat met wat groenten, of zogenaamde blubberpap. Honger is alomtegenwoordig. Om toch aan extra voedsel te komen worden grote risico’s genomen door te handelen bij het gedek, de bamboematten begrenzing van het kamp. Wanneer de persoon hier op heterdaad wordt betrapt, volgt straf. Soms zelfs voor het hele kamp en ook voor de lokale handelaar.


Halverwege 1943 is er een groot tekort aan beroepsprostitués voor de Japanse militairen en de legerleiding richt het oog op de Nederlandse en Indo-Europese vrouwen in en buiten de interneringskampen. Japanse militairen komen langs in het kamp om meisjes te selecteren die ‘troost’ moeten bieden aan de Japanse militairen ‘die zo ver van huis zijn’. Hoewel de vrouwen dit werk officieel uitsluitend op vrijwillige basis mogen aanvaarden, is er in de praktijk sprake van grote dwang. In sommige kampen, zoals het kamp Ambarawa 6, hebben moeders door heftig protest weten te voorkomen dat vrouwen werden meegenomen.


Ook burgergeïnterneerden ontkomen niet aan verplaatsingen naar andere kampen. Ieder transport levert de nodige spanningen op: mensen weten van tevoren niet waar ze terechtkomen en bij ieder transport mogen ze minder persoonlijke spullen meenemen: alleen wat ze zelf kunnen dragen en dat is door de voortdurend afnemende fysieke conditie van de geïnterneerden steeds minder. Het transport vindt over het algemeen onder vaak erbarmelijke omstandigheden per trein of vrachtwagen plaats en neemt vele dagen in beslag. Eind 1944 vindt er een concentratie plaats van geïnterneerden in grotere kampen op Java, Sumatra en Celebes. Zo worden er vanuit Oost-Java burgergeïnterneerden getransporteerd naar Midden- en West-Java en vanuit Oost-Indonesië naar het vrouwenkamp Kampili en het mannenkamp Pare Pare op Zuid-Celebes. Op Noord-Sumatra worden de geïnterneerden vanuit verschillende kampen getransporteerd naar Rantau Prapat: het mannenkamp Si Rengo-Rengo en de vrouwenkampen Aek Pamienké I, II en III. Deze grotere kampen liggen over het algemeen meer geïsoleerd en er heersen slechtere levensomstandigheden.
In het laatste jaar van de internering sterven geïnterneerden als gevolg van toenemende voedseltekorten, slechte gezondheid, overbevolkte huisvesting en slechte hygiënische omstandigheden. Vooral personen ouder dan 45 en kleine kinderen zijn hiervan het slachtoffer. Het geschatte aantal slachtoffers loopt uiteen van ruim 10.000 tot een kleine 17.000. Dit is tussen de 10 en 17 procent van het aantal burgergeïnterneerden.


Ondanks alle verboden en restricties proberen de vrouwen en mannen hun leven zo goed mogelijk vorm te geven. Een goed beeld van het leven in al zijn facetten geven de vele dagboeken en tekeningen uit deze periode, met thema’s als onzekerheid over het lot van familieleden, het vieren van verjaardagen en van hoogtijdagen, geloof, onderlinge steun, vernedering, de appèls, honger, onveiligheid, spanningen tussen de moeders en kinderen, de constante zorg om de kinderen, het verbod op onderwijs en de confrontatie met en het ondergaan van geweld, ziekte en sterfte en ten slotte de hoop op bevrijding.


Buitenkampers


De Indo-Europeanen die buiten het kamp zijn gebleven moeten inspelen op een samenleving die 180 graden gedraaid is. Opeens bevinden zij zich onder aan de maatschappelijke ladder. De Japanners beschouwen de Indo-Europeanen als Aziaten, maar zij worden door hun gemengde achtergrond echter nooit helemaal vertrouwd. Want waar ligt hun loyaliteit? Hetzelfde geldt voor specifieke bevolkingsgroepen die als loyaal golden aan het Nederlandse bewind, zoals de christelijke Molukkers, de Menadonezen, de Chinezen en een klein deel van de Javanen.


Na de capitulatie zijn er verspreid over de archipel verschillende verzetsgroepen actief. Het verzet wordt veelal georganiseerd door KNIL-militairen die uit handen zijn gebleven van de Japanners en door zogenaamde Nippon-werkers, personen die verplicht hun werk buiten de kampen moeten voortzetten om de economie draaiende te houden. Zij worden geholpen door (Indo-)Europese vrouwen die nog buiten het kamp verblijven, Chinese burgers en Indische scholieren, vaak afkomstig uit de padvinderij. Voormalige Molukse KNIL-militairen spelen een belangrijke rol in het verzet, omdat zij zich vrij kunnen bewegen. Het verzet in Nederlands-Indië is van korte duur en speelt zich voornamelijk af in de periode van maart tot september 1942. De Nederlanders hopen dat de bezetting niet lang zal duren. Kerst 1942, is de gedachte, zal in vrijheid gevierd worden. De verzetsactiviteiten richten zich op het voorbereiden van militaire steun aan de Britten en de Amerikanen wanneer die Nederlands-Indië zullen bevrijden. Deze bestaan onder andere uit het verzamelen van militair-strategische gegevens, het verspreiden van geallieerde oorlogsberichten, wapens verzamelen, onderduikadressen verschaffen en het liquideren van Japanners.
Het verzet wordt met harde hand bestreden door de Kempetai, de Japanse militaire politie, en de Politieke Inlichtingen Dienst (PID). Voor deze diensten is het vrij duidelijk wie de vijand is en welke bevolkingsgroep geneigd is tot verzet. De Japanners zijn zeer achterdochtig en menig persoon op wie slechts de verdenking berust van verzet, wordt als gevolg daarvan hard aangepakt. De verdachten worden opgepakt en gemarteld totdat ze veelal bekennen. Na berechting worden de (vermeende) verzetsstrijders door onthoofding geëxecuteerd, velen in het moerassige gebied Antjol bij Batavia.


Tegen maart 1943 hebben de Kempetai en de PID vrijwel het hele verzet onder controle, maar beide organisaties blijven de gehele bezetting alert. Vooral Indo-Europeanen en christelijke Molukkers worden continu scherp in de gaten gehouden. Regelmatig vinden er huiszoekingen plaats naar verboden voorwerpen zoals radio’s, vlaggen, portretten van koningin Wilhelmina, KNIL-uniformen en wapens. Personen worden opgepakt door verraad, verdwijnen alsnog in de gevangenis, worden gemarteld, soms vrijgelaten, soms geëxecuteerd. Veel personen die de martelingen hebben ondergaan en niet hebben bekend, mogen terug naar huis, alwaar ze alsnog sterven aan de gevolgen van de martelingen. Het gevoel van onveiligheid en angst regeert.


Direct na het begin van de bezetting vorderen de Japanse troepen en het Japanse bestuur kazernes en een groot aantal Europese woonhuizen voor eigen gebruik. De vrouwen en kinderen van KNIL-militairen die in de kazerne (tangsi) wonen, worden overgebracht naar kampen onder Japans toezicht. Het betreft hier met name Molukse, Menadoneze, Javaanse en Indo-Europese vrouwen. Het regiem in deze kampen verschilt per locatie en over het algemeen heeft men enige bewegingsvrijheid. De vrouwen zijn ook verantwoordelijk voor hun eigen levensonderhoud. Doorgaans worden ze door de Japanners ingezet bij verschillende werkzaamheden zoals in de landbouw. Bij de invordering van woonhuizen worden de bewoners op zeer korte termijn hun huis uitgezet en moeten ze zoeken naar een ander onderkomen. Een aantal gezinnen zoekt zijn toevlucht tot de beschermde wijken, die in een later stadium van de Japanse bezetting bestemd worden als interneringskampen.


Het alledaagse leven verloopt moeizaam voor de vele gezinnen. De meeste mannen zijn krijgsgevangen of geïnterneerd. Zo blijft er een gemeenschap over die grotendeels uit alleenstaande vrouwen met kinderen bestaat, die bovendien niet langer kunnen beschikken over loon, salaris of spaargeld. Er ontstaan acute geldproblemen. Vrij snel kunnen de huren niet meer worden opgebracht en veel vrouwen keren met hun kinderen terug naar het ouderlijk huis of gaan met een aantal gezinnen samen in één huis wonen. De kosten voor de huur en het levensonderhoud worden dan gedeeld. Sommigen komen zelfs op straat te staan en te leven. In een paar grote steden, zoals Batavia en Bandoeng, worden gaarkeukens opgezet en in sommige steden Indo-comités. Deze laatste behartigen de belangen van de Indo-Europeanen. Vanuit de comités worden er inkomstenbronnen gezocht voor de Indo-Europese vrouwen, zoals het breien van sokken voor Japanse militairen via de breicentrale.


Veel vrouwen houden zich in leven door hun eigen handeltje te beginnen, bijvoorbeeld door koekjes en snacks te maken, die de kinderen langs de huizen verkopen. Op het erf worden nu in plaats van sierplanten, gewassen verbouwd en kleinvee gehouden. Ieder gezinslid wordt ingezet om inkomen te verwerven. Oudere jongens en meisjes gaan bijvoorbeeld werken in touwfabrieken en ketjapfabrieken tegen lage lonen of een maaltijd. In de loop van de bezetting worden de jongens net als de Indonesische jongens en mannen verplicht werkzaamheden te verrichten, zoals romoesha-arbeid. Indische en Indonesische meisjes en vrouwen worden onder druk ‘gevraagd’ in Japanse bars te werken. Later blijkt dat het in sommige gevallen om gedwongen prostitutie gaat. De druk op de vrouwen neemt toe naarmate er een groter tekort aan prostitués ontstaat. Er is een constante dreiging. Voor de zekerheid verstoppen de oudere meisjes en jonge vrouwen zich bij huiszoekingen door militairen. Dit kan echter niet voorkomen dat een groep vrouwen gedwongen wordt om als ‘troostmeisje’ in Japanse bordelen te werken. Een levenslang trauma voor deze vrouwen.


Tijdens de Japanse tijd stimuleert de Japanse regering het onafhankelijkheidsstreven van Indonesië. Japan beschouwt Indonesië als kleine broer en deze moet hem daarom gehoorzamen. Het land belooft Indonesië op termijn de onafhankelijkheid. Het Indonesisch nationalisme onder leiding van Soekarno, de voorman van de Partai Nasional Indonesia (PNI), krijgt een nieuwe impuls. Veel jonge Indonesische mannen krijgen een Japanse militaire training en zijn daarmee op de strijd voorbereid.
Naarmate de bezetting voortduurt, worden de levensomstandigheden slechter. Voedsel wordt steeds schaarser onder andere door misoogsten en doordat veel voedsel bestemd wordt voor de Japanse bezettingsmacht. Honger wordt ook buiten de kampen een algemeen verschijnsel. De mensen ondernemen van alles om te overleven. Huisraad, lakens, kleding en sieraden worden geruild tegen eten. In de loop van de bezettingstijd raken deze middelen langzaam maar zeker uitgeput en wordt er op grote schaal bittere armoede geleden.


Intussen behalen de geallieerde troepen overwinningen op de Japanners en worden de Japanners steeds achterdochtiger tegenover mogelijke vijanden van binnenuit. Potentiële vijanden zijn de Indo-Europeanen en met name de groep jongeren, jonge mannen die tijdens de bezetting zijn opgegroeid en in de ogen van de Japanners zorgen voor politieke instabiliteit. Er wordt sterk getwijfeld aan hun loyaliteit. Eind 1943 richt het Japans bestuur het Bureau voor Indo-Europese Zaken op. Aan het hoofd komen pro-Indonesische Indo-Europeanen. Vanaf half september 1944 krijgen de Indo-comités opdracht jongeren vanaf zestien jaar op te roepen om te werken in landbouwkampen, die bedoeld zijn als heropvoedingsgestichten. Dit vindt plaats in Batavia, Malang, Semarang en Soerabaja. In Batavia moeten de jongens een loyaliteitsverklaring tekenen. Zij weigeren in groten getale en worden als politieke gevangenen vastgezet in de Glodokgevangenis. Vanuit de andere steden worden de jongens tewerkgesteld in de landbouwwerkkampen. Menig jongere heeft in de gevangenis en in de landbouwkampen het leven gelaten door de slechte leefomstandigheden en het harde regiem. In het werkkamp Goembergesing bij Dampit wordt een groep jongens in oktober 1944 gearresteerd op verdenking van seinen naar geallieerde vliegtuigen en het treffen van voorbereidingen voor een geallieerde landing. Dertien jongens van de groep worden in juni 1945 geëxecuteerd en de anderen verdwijnen in de gevangenis. Ze verblijven daar tot het eind van de bezetting.
15 augustus 1945

Op 15 augustus treft men in Nederlands-Indië een uitgedunde, berooide (Indo-)Europese gemeenschap aan, waarvan een gedeelte geïnterneerd is en veel krijgsgevangenen zich nog buiten Indië bevinden. De capitulatie is geen bevrijding, want de geïnterneerden moeten in de kampen blijven en worden nu bewaakt door de Japanners – hun voormalige vijand – tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Veel buitenkampers gaan zelfs voor hun veiligheid naar de beschermde kampen. Bezittingen zijn verloren gegaan, er zijn veel doden te betreuren, veel gezinnen verkeren nog lange tijd in het ongewisse over het lot van familieleden. 
Ook de ‘inheemse’ bevolking in de archipel heeft zwaar te lijden gehad; er zijn hongersnoden en de Japanse capitulatie heeft tot een gevaarlijk machtsvacuüm geleid. En ondertussen is er een dekolonisatieoorlog uitgebroken. Er is geen tijd en ruimte voor verwerking van verdriet. Het oude Nederlands-Indië komt nooit meer terug, maar dat zal pas veel later duidelijk worden.


Een lange strijd om erkenning

Overtocht naar Nederland en de opvang


Door de onveilige situatie zijn opvang en verzorging van ex-geïnterneerden in Nederlands-Indië zelf niet mogelijk. Eind 1945 begint daarom de evacuatie naar Nederland. Het Centraal Bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers (CBVO) heeft de verantwoording over de Indische evacués. Nederland heeft zelf net de Duitse bezetting achter de rug en is sterk verarmd. Het land is nog volop bezig het gewone leven weer op te pakken en kampt met een groot tekort aan huisvesting. Voedsel en textiel zijn nog altijd op de bon. De evacués uit Nederlands-Indië worden over het algemeen opgevangen door de Nederlandse familie en wanneer dit niet mogelijk is in contractpensions. Het eerste half jaar ontvangen ze gratis gezondheidszorg en dubbele bonnen. Sommige Nederlanders kijken hier met afgunst naar en dit levert het scheldwoord ‘dubbele bonnenvreters’ op. Met hun eigen Europese oorlogservaringen vers in het geheugen blijken veel Nederlanders weinig oor te hebben voor ervaringen van anderen. Ook binnen de eigen familiekring vinden de Indische evacués weinig gehoor voor hun oorlogservaringen omdat daar het Europees oorlogsleed domineert. Velen zwijgen hierover.


In dezelfde periode raakt Nederland verwikkeld in de dekolonisatieoorlog. Er worden ruim 210.000 militairen ingezet, van wie zo’n 70.000 militairen van het KNIL, 120.000 van de Koninklijke Landmacht (KL) en 20.000 van de Koninklijke Marine (KM). Onder deze militairen bevinden zich ongeveer 100.000 dienstplichtigen en zo’n 25.000 oorlogsvrijwilligers uit Nederland. Zodoende raken steeds meer Nederlanders rechtstreeks betrokken bij de oorlog in Indië. Nederland moet uiteindelijk Nederlands-Indië opgeven onder sterke internationale druk. Nederlands-Indië is verleden tijd. De wederopbouw van Nederland eist alle aandacht op.


Na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 wordt het Nederlands-Indisch gouvernement met zijn diensten ontbonden en wordt het KNIL opgeheven. Er vindt een grote uittocht plaats van hoofdzakelijk ambtenaren en KNIL-militairen met hun gezinnen en uitgezonden militairen van de KL en KM. In tegenstelling tot de groep evacués is het percentage Indo-Europeanen, die generaties lang in Indië gewoond heeft in deze groep groter. Voor velen van hen is het de eerste kennismaking met Nederland. Zij hebben over het algemeen minder familie in Nederland die hen kan opvangen. De opvang wordt verzorgd door de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ) en velen komen in een contractpension terecht. In 1951 volgen nog elf transporten met in totaal 12.000 Molukse ex-KNIL militairen met hun gezinnen voor een ‘tijdelijk’ verblijf in Nederland. Zij worden geïsoleerd van de Nederlandse samenleving opgevangen in kampen. Hun leven in Nederland staat nog lang in het teken van het gedwongen vertrek. Zij voelen zich onrecht aangedaan in verband met wat zij beschouwen als de gebroken belofte van de Nederlandse regering om hen terug te brengen en te laten demobiliseren op Ambon en in verband met de strijd om een Vrije Republiek van de Zuid-Molukken. Hoewel de Molukkers een gedeeld oorlogsverleden hebben met de Indische gemeenschap, ontwikkelt de herinneringscultuur van beide groepen zich door de naoorlogse ontwikkelingen afzonderlijk en verschillend van elkaar.
De toegang tot Nederland is niet vanzelfsprekend. Dit betreft met name de Indo-Europeanen. Zij worden bij de soevereiniteitsoverdracht voor de keuze gesteld: Nederlander blijven of opteren voor het Indonesisch staatsburgerschap (warga negara). Slechts een minderheid kiest voor het laatste. Lange tijd houdt Nederland de boot voor achtergebleven Nederlandse Indo-Europeanen letterlijk af. In de jaren vijftig verslechtert hun maatschappelijke positie in Indonesië aanzienlijk. Werkeloosheid, armoede, discriminatie en bedreigingen vallen hen ten deel. Om in Nederland toegelaten te worden moeten zij aan strenge voorwaarden voldoen. Het geeft hen het gevoel van tweederangsburgers. Pas nadat de positie van de Indo-Europeanen in Indonesië steeds meer onhoudbaar wordt, wordt het toegangsbeleid door Nederland versoepeld. Met hen vertrekt ook een groep Indo-Europeanen, die eerder gekozen hebben voor het Indonesisch staatsburgerschap, maar teruggekomen zijn op deze keuze, de zogenaamde ‘spijtoptanten’. Eind jaren vijftig en begin jaren zestig arriveert de laatste groep repatrianten als gevolg van de spanningen met Indonesië rondom het onafhankelijkheidsstreven van Nieuw Guinea en uiteindelijk de overdracht van dit land in 1962.


De opvang in Nederland wordt door de meeste repatrianten als ‘kil’ ervaren en het paternalistisch beleid rond de integratie van de Indo-Europeanen als vernederend. Veel Indische Nederlanders hebben zich niettemin geruisloos geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Zij zwijgen niet alleen over hun eigen identiteit maar ook over hun oorlogservaringen.


Vanaf de capitulatie van Japan blijft een aantal kwesties onopgelost. De voornaamste hiervan zijn het uitblijven van de uitbetaling van de achterstallige salarissen en soldij tijdens de Japanse bezetting, de zogenaamde backpay, en het herstel van oorlogsschade door verloren bezittingen en spaargelden. De onvrede rond deze zaken wakkert andere onvrede aan. Eén daarvan is de behandeling van de slachtoffers van de Japanse bezetting tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei.


Nationale Dodenherdenking


Vanaf 1945 worden op verschillende locaties in Nederland de doden herdacht die omgekomen zijn tijdens de Duitse bezetting. Een jaar na de bevrijding komt een plan voor een Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam. Dit monument moet de gedachte uitdrukken van een Nederlands volk dat één is in zijn verzet tegen de Duitse onderdrukking. In december 1947 wordt een voorlopig monument opgericht: een urnenmuur ‘met bloed van martelaren’ doordrenkte aarde van verschillende fusillade- en begraafplaatsen uit de elf provincies. Voor een urn met aarde uit Nederlands-Indië is echter geen plaats ingeruimd. Tegen deze regionale afbakening wordt fel geprotesteerd onder andere door de Nederlands-Indische Bond voor Ex-Geïnterneerden, het NIBEG. De werkcommissie van de Nationale monumenten, die verantwoordelijk is voor deze urnenmuur, gaat hier niet op in en speelt het protest door naar de politiek. De politiek houdt zich echter afzijdig. Pas eind 1949 beslist de politiek over deze kwestie; een urn met Nederlands-Indische aarde afkomstig van de erebegraafplaatsen uit Indonesië wordt in april 1950 bijgezet. Hiertegen wordt geprotesteerd door tegenstanders van de koloniale oorlog als blijkt dat de aarde in de urn ook afkomstig is van begraafplaatsen waar militairen liggen die deelgenomen hebben aan de politionele acties. Deze protesten worden echter niet gehonoreerd.
Vanaf 1950 maken de slachtoffers van de Japanse overheersing officieel deel uit van de Nationale Dodenherdenking van 4 mei.


Een Nationale Indiëherdenking

 


Tot in de jaren zestig herdenkt de Indische gemeenschap haar slachtoffers vooral in besloten kring. Er zijn verschillende grotere en kleinere herdenkingscomités en één Indië-monument in Enschede dat de periode 1941-1949 bestrijkt en opgericht is in 1960. Officiële herdenkingen vinden na de oorlog incidenteel plaats. Zo houden de ex-krijgsgevangenen aan de Birma-Siamspoorlijn regelmatig herdenkingen; pas in 1967 vindt er voor het eerst een officiële herdenking plaats. In 1968 wordt de Stichting Nederlandse Slachtoffers Japanse Vrouwenkampen opgericht. De vrouwen en kinderen vinden dat er stelselmatig te weinig aandacht voor hen is gedurende de dodenherdenking. Een jaar na de oprichting organiseert de stichting een officiële herdenking in het Haagse Congrescentrum, waarbij de duizenden vrouwen en kinderen centraal staan die tijdens de Japanse bezetting omkwamen. Er wordt tevens geld ingezameld voor een eigen monument. Meer algemeen vat het idee post om voor het lustrumjaar 1970 eenmalig een Nationale Indiëherdenking te organiseren. Veel Indische organisaties kunnen zich in deze gedachte vinden. Om dit te realiseren richt G.S. Vrijburg het Comité Herdenking 15 Augustus 1970 op en hij wordt hiervan de voorzitter.


Op 15 augustus 1970 vindt er voor het eerst een nationale herdenking plaats, om ‘Onze doden van ginds massaal en waardig [te] herdenken, allen, los van ras, geloof, politieke overtuiging, belangrijkheid of anderszins. Daarmede zal een gewetenslast van ons zijn afgenomen en daarbij zullen wij ook afscheid nemen van veel uit het verleden en daarna kunnen we bevrijd de toekomst inzien’. De herdenking wordt gehouden in het Congresgebouw in Den Haag en trekt meer dan tienduizend bezoekers. Koningin Juliana, prinses Beatrix en prins Claus, de minister-president, twee ministers, enkele ambassadeurs en een lange stoet van hoogwaardigheidsbekleders zijn aanwezig. De betrokkenheid vanuit het Koningshuis en de overheid voelt als erkenning.


Echter, krap een half jaar later kondigt de regering aan dat keizer Hirohito een bezoek komt brengen aan Nederland. De Indische gemeenschap vindt dit onbegrijpelijk en protesteert heftig onder aanvoering van de cabaretier Wim Kan, die zelf als krijgsgevangene aan de Birmaspoorlijn heeft gewerkt. Het protest van de Indische oorlogsslachtoffers wordt breed uitgemeten in de media. Het leidt niet direct tot veel begrip in de Nederlandse samenleving, terwijl er juist eind jaren zestig wel meer kennis en begrip komt voor het slachtofferschap. De Europese oorlogservaringen domineren het collectieve geheugen van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.
De komst van Hirohito wekt bij veel Indische Nederlanders herinneringen aan de oorlog op. Dit leidt tot meer activiteiten op dit terrein. In Enschede onthult koningin Juliana in december 1971 het monument ‘Japanse Vrouwenkampen’, gefinancierd door de Stichting Nederlandse Slachtoffers Japanse Vrouwenkampen. In 1975 volgt er een KNIL-gedenkplaats op het landgoed Bronbeek in Arnhem. In de jaren daarna volgen meer monumenten voor verschillende groepen oorlogsslachtoffers. Ook is er meer aandacht voor de Japanse bezetting in de literatuur. Veel onverwerkt oorlogsleed komt aan de oppervlakte en daar is nu meer aandacht voor.
In de jaren zeventig krijgt het leed van vervolgingsslachtoffers erkenning bij de totstandkoming van de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (WUV). Deze wet is gebaseerd op bijzondere solidariteit van de Nederlandse samenleving met de oorlogsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. De Indische vervolgden worden hier voor het eerst expliciet als aparte groep vermeld. Wanneer de slachtoffers van de Japanse bezetting niet meer in staat zijn in hun inkomen te voorzien, dan kunnen ze voor een uitkering een beroep doen op de WUV en hoeven zij niet (langer) naar de bijstand. Tegelijk met deze ontwikkelingen is nog steeds een strijd gaande om uitbetaling van de backpay, de achterstallige betalingen van soldij en salarissen. Al deze ontwikkelingen rond het Indisch oorlogsverleden doen de behoefte aan een Nationale Indische Herdenking groeien.


Nationale herdenking


Het initiatief wordt dit keer genomen door de Stichting Nederlandse Ereschulden, Stichting Pelita en de Indische Pensioenbond. In maart 1980, vijfendertig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog richtten twintig Indische organisaties met financiële steun van het Comité Nationale Viering Bevrijding 1980, de Stichting Herdenking 15 Augustus 1945 op. Vrijburg wordt opnieuw voorzitter en prins Bernard treedt op als beschermheer. Er vindt een grootse herdenking plaats in de Jaarbeurs in Utrecht, waarbij bijna elfduizend mensen aanwezig zijn. De dag ervoor, op 14 augustus, is de kranslegging bij het monument voor slachtoffers in Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog in de hal van de Tweede Kamer. Van eenmaligheid is nu geen sprake meer en ieder jaar volgt een herdenking, onder andere in Den Bosch, Enschede, Nijmegen, Den Haag en Bussum.


Een eigen monument


Na een jaarlijkse dodenherdenking groeit ook de behoefte aan een eigen herdenkingsplek. Het initiatief is afkomstig van de Amsterdamse burgemeester I. Samkalden, die zelf in een Japans kamp heeft gezeten en A.A. Verheij, een voormalig verzetsman en lid van de Uitkeringsraad, de instantie die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de WUV. Verheij is tevens voorzitter van het Adviescomité Oorlogsherdenkingstekens en mag voor het lustrumjaar gelden verdelen. Dit geeft de impuls tot de oprichting van de Stichting Indisch Monument.


De Stichting Indisch Monument heeft als wens dat het monument herkenbaar moet zijn voor vier groepen Indische oorlogsslachtoffers uit de periode 1941-1945: militairen, Europese vrouwen en kinderen, krijgsgevangenen en Indo-Europeanen. Voor het ontwerp wordt een prijsvraag uitgeschreven. De van origine Bulgaarse beeldhouwster Jaroslawa Dankowa wint deze prijsvraag. Haar ontwerp bestaat uit zeventien bronzen beelden die aan weerzijden van een baar staan voor een hoog hekwerk. De gestalten vertegenwoordigen verschillende leeftijden en verbeelden de verschillende gezichten van lijden: de pijn, de wanhoop en het protest. Op de baar in het midden ligt de dood. Het hekwerk staat voor zowel de kampomheining als de verbinding. De tekst ‘De Geest Overwint’ verwijst naar de Nederlandse erevelden in Indonesië, Birma, Thailand, Singapore, Japan, China en Australië, waar de slachtoffers liggen begraven.


Op 15 augustus 1988 draagt Ivo Samkalden het beheer van Indisch Monument officieel over aan Rudy Boekholt, de voorzitter van de Stichting Herdenking 15 Augustus 1945. Het gerealiseerde monument voldoet volgens Samkalden aan alle eisen die de stichting aan het ontwerp heeft gesteld. Het is bestemd voor iedereen die geleden heeft onder de Japanse bezetting, zowel de Nederlanders als de Indonesiërs, en iedereen zal zich in het monument kunnen herkennen. Hij beëindigt zijn speech met de overdracht van het monument aan de Stichting Herdenking 15 Augustus 1945. Boekholt neemt namens de stichting het monument in ontvangst met de woorden:
‘Met dit monument is er eindelijk een eigen herdenkingspunt voor de Indische gevallenen gekomen en ’t geeft hen de erkenning waar wij met z’n allen al die jaren op hebben gewacht.’

Literatuur


Anaïs, Bodil, Eva Prins en Nancy Jouwe, Paradijsvogels in de polder. Papoea’s in Nederland (Amsterdam 2012)
Ars, Brigitte, Troostmeisjes. Verkrachting in naam van de keizer (Amsterdam 2000)
Beets, Gijs, Evert van Imhoff en Corina Huisman, Santo Koesoebjono en Eveline Walhout, De demografische geschiedenis van de Indische Nederlanders, 1930-2001 (Den Haag 2002) Rapport van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI)
Beets, Gijs, Evert van Imhoff en Corina Huisman, ‘Demografie van de Indische Nederlanders, 1930-2001’, in Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2003
Bercken, C. van den, Esther Captain en Elwin Swinkels, De smaak van verlangen. Droomrecepten en verhalen uit bezet Nederlands-Indië (Amsterdam 2007)
Bosma, Ulbe, Terug uit de Koloniën. Zestig jaar postkoloniale migranten en hun organisaties (Amsterdam 2009)
Bussemaker, H.Th., Bersiap! Opstand in paradijs (Zutphen 2007)
Captain, Esther, Achter het kawat was Nederland. Indische oorlogservaringen en herinneringen 1942-1995 (Kampen 2002)
Delden, Mary C. van, De Republikeinse kampen in Nederlands-Indië oktober 1945-mei 1947. Orde in chaos? (Kockengen 2007)
Heijmans-van Bruggen, Mariska (samensteller), De Japanse bezetting in dagboeken. Vrouwenkamp Ambarawa 6 (Amsterdam 2001)
Hermanus, R. en F. de Jongh, Indisch jongerenverzet 1944-Glodok 1945 (Ede 1995)
Hoestland, L.Ch. e.a., Indisch verleden. Lustrum-Herdenkingsboek 1995 Stichting Herdenking 15 Augustus 1945 (Den Haag 1996)
Immerzeel, B.R. en F. van Esch (red.), Verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetting 1942-1945 (Den Haag 1993)
Kemperman, Jeroen (samensteller), De Japanse bezetting in dagboeken. Buiten de kampen (Amsterdam 2002)
Keppy, Peter, Sporen van vernieling. Oorlogsschade, roof en rechtsherstel in Indonesië 1940-1957 (Amsterdam 2006)
Leidelmeijer, Margaret, ‘Wisselend bewolkt. De komst van evacués uit Indië’, in: Hinke Piersma (red.), Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Getuigenissen (Amsterdam 2002)
Liesker, H.A.M., N.H.M. Liesker, L.G. Woortman, G. Weijers, P.F. Crince le Roy en O.W. Memelink, 2603-1945 Jongens in de mannenkampen te Tjimahi, Baros 5 en 4e/9e Bat. (Waddinxveen 1994)
Loderichs, Mark, Margaret Leidelmeijer, Johan van Langen en Jan Kompagnie, Verhalen in documenten. Over het Afscheid van Indië, 1940-1950 (Amersfoort 2008)
Meijer, Hans, In Indië geworteld (Amsterdam 2004)
Meijer, Hans, m.m.v. Margaret Leidelmeijer, Indische rekening. Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945-2005 (Amsterdam 2005)
Molemans, Griselda, Opgevangen in andijvielucht (Amsterdam, 2014)
Nederlands Instituut voor Militaire Historie & Stichting het Veteraneninstituut, Het Nederlands militair optreden in Nederlands-Indië/Indonesië. Een bibliografisch overzicht (Den Haag/Doorn 2011) pdf-versie gepubliceerd op de website van het NIMH
Oostindie, Gert, Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen (Amsterdam 2010)
Oostindie, Gert, Henk Schulte Nordholt, Fridus Steijlen, met foto’s van Eveline Kooijman, Postkoloniale monumenten in Nederland (Leiden 2011)
Post, Peter, William H. Frederick, Iris Heidebrink, Shigeru Sato, The encyclopedia of Indonesia in the Pacific War (Leiden/Bosten, 2010)
Smeets, Henk en Fridus Steijlen, In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2006 (Amsterdam 2006)
Stichting Herdenking 15 Augustus 1945, Het Indisch Monument (Den Haag 2002)
Touwen-Bouwsma, Elly en Petra Groen, Tussen Banzai en Bersiap. De afwikkeling van de Tweede Wereldoorlog in Nederlandsch-Indië (Den Haag 1996)
Vermolen, Julika, De Dampit-affaire. Een vergeten drama in Oost-Java tijdens de Japanse bezetting (Amsterdam 1999)
Willems, Wim, Remco Raben, Edy Seriese, Liane van der Linden en Ulbe Bosma, Uit Indië geboren. Vier eeuwen familiegeschiedenis (Zwolle 1997)
Willems, Wim, De uittocht uit Indië 1945-1995 (Amsterdam 2001)
Zwitser, H.L., Mannen van 10 jaar en ouder, de jongenskampen Bangkong en Kedoengdjati 1944-1945 (Franeker 1995)

 

Nederland wordt bevrijd op 5 mei 1945

Op die datum is er in voormalig Nederlands-Indië echter nog geen bevrijding. De Japanse overheersing drukt in de hierop volgende maanden nog zwaar op alle inwoners van dat land en ver daarbuiten.